Een Nederlandse ambassadeur, een verwarrend Amerikaans signaal en een vliegtuig dat halverwege moest omdraaien. Dat is de kern van wat er op 25 juni misging rondom de poging van Venezolaans oppositieleider María Corina Machado om via Curaçao terug te keren naar haar thuisland.
De centrale these is eenvoudig: Machado’s mislukte terugreis was geen toeval, maar het zichtbare gevolg van een interne machtsstrijd binnen het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken — een strijd die de Nederlandse ambassade in Washington als onbedoeld slachtoffer meesleepte. Birgitta Tazelaar, de Nederlandse ambassadeur in de VS, had Machado op 24 juni toestemming gegeven om naar Curaçao te vliegen. Zij meende daarvoor groen licht te hebben van de Amerikanen. Dat bleek een misverstand.
Tazelaar had van plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken Chris Landau begrepen dat minister Marco Rubio de reis goedkeurde. Maar Rubio had dat niet gedaan. Toen Tazelaar de volgende dag belde met Mike Kozak, bureauhoofd voor het Westelijk Halfrond, werd het officiële Amerikaanse standpunt alsnog duidelijk gemaakt. Kozak maakte korte metten met de eerdere toezegging. Tazelaar trok haar toestemming in — terwijl Machado al in de lucht zat. Het vliegtuig keerde terug naar Manassas, Virginia.
Waarom wilden de Amerikanen Machado’s terugkeer niet faciliteren? De redenering in Washington was tweeledig. Ten eerste vonden Amerikaanse ambtenaren het onwenselijk dat Machado zich profileerde bij reddingsoperaties na de aardbevingen in Venezuela. Ten tweede wilde de Trump-administratie niet de indruk wekken haar actief te steunen of te beschermen. Hoewel Machado openlijk lof heeft uitgesproken over president Trump, beschouwt het Witte Huis haar als een potentiële stoorzender in de nieuwe Venezolaanse politieke verhoudingen.
Die verhoudingen zijn ingrijpend veranderd. Nadat de VS de toenmalige president Nicolás Maduro had laten oppakken, nam vicepresident Delcy Rodriguez het roer over in Caracas. Rodriguez onderhoudt betere betrekkingen met Washington dan haar voorganger en is daarmee voor de Trump-administratie een bruikbaardere gesprekspartner — ook al is ze bij Machado’s aanhangers allesbehalve populair. Rubio heeft zijn pragmatisme laten prevaleren boven zijn vroegere steun aan de oppositie.
Landau beweert dat Tazelaar hem verkeerd heeft begrepen. Maar het is veelzeggend dat hij een dag na het diplomatieke debacle vrijwel identieke signalen afgaf aan de Panamese minister van Buitenlandse Zaken. Machado vloog vervolgens naar Panama, maar ook vanuit dat land strandde een doorvluchtpoging naar Venezuela — opnieuw omdat de Amerikanen bezwaar maakten. Het patroon is moeilijk te negeren: Landau, de uitgesproken bondgenoot van Machado, opereert op gespannen voet met zijn eigen baas Rubio, die haar inmiddels heeft laten vallen.
De achtergrond van Machado’s situatie maakt het geheel nog complexer. Zij ontvluchtte Venezuela vorig jaar december, vermomd met een pruik, om in Oslo de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst te nemen. Een speedboot bracht haar naar Curaçao, vanwaar ze doorvloog naar Noorwegen. Bij die operatie waren ook Amerikaanse oud-militairen en een Nederlandse helikopter betrokken. Nederland speelde dus al eerder een stille maar concrete rol in haar lot. Nu stond de Nederlandse ambassade opnieuw in het middelpunt — ditmaal niet als facilitator van een ontsnapping, maar als uitvoerder van een ingetrokken toestemming.
Wat dit incident blootlegt, is niet zozeer een Nederlands diplomatiek falen als wel een structureel probleem binnen de Amerikaanse buitenlandse politiek: tegenstrijdige signalen vanuit één en hetzelfde departement, die bondgenoten in verwarring achterlaten en operaties in het veld doen mislukken. Zolang Rubio en Landau niet op één lijn zitten over Venezuela, blijft iedereen die op Amerikaanse steun rekent — inclusief Machado zelf — opereren op drijfzand.

