Een universitair hoofddocent farmacologie aan de Universiteit Utrecht ontving persoonlijke betalingen van de bedrijven waarvoor hij wetenschappelijk onderzoek verrichtte — terwijl hij zich in die publicaties presenteerde als onafhankelijk UU-onderzoeker. De zaak roept fundamentele vragen op over de integriteit van wetenschappelijk onderzoek en het toezicht binnen de universiteit.
Betalingen via privébedrijf, publicaties op naam van de UU
Joris Verster, universitair hoofddocent farmacologie aan de Universiteit Utrecht, werd persoonlijk betaald door energiedrankengigant Red Bull en het Amerikaanse Sen-Jam Pharmaceuticals — een bedrijf dat claimt een middel tegen katers te ontwikkelen. Dat blijkt uit onderzoek van Investico, De Groene Amsterdammer en Trouw, gepubliceerd op donderdag. Voor ten minste één studie liep de betaling via zijn privébedrijf, terwijl hij op de betreffende publicatie als UU-onderzoeker staat vermeld.
Hoogleraar integriteit Rob van Eijbergen noemt deze constructie tegenover de betrokken media „problematisch en hoogst ongebruikelijk”. De kern van het probleem is helder: wie als universitair onderzoeker publiceert, wekt de indruk onafhankelijk te opereren. Wanneer diezelfde persoon via een privékanaal wordt betaald door de opdrachtgever van dat onderzoek, vervalt die onafhankelijkheid — ongeacht de inhoudelijke kwaliteit van het werk.
De uitkomsten van Versters onderzoek waren bovendien zonder uitzondering gunstig voor de betalende bedrijven. Zo concludeerde hij op basis van een vragenlijst — een methodologisch zwakke onderzoeksmethode voor dit type vraagstelling — dat mensen die alcohol mengen met energiedrank minder drinken en minder onverantwoordelijk gedrag vertonen. Andere wetenschappers trekken die conclusies tegenover Investico sterk in twijfel.
In een ander onderzoek stelt Verster dat het beperken van koffie effectiever is dan het beperken van energiedrank om de cafeïne-inname te verlagen. Een bevinding die, opnieuw, goed uitkomt voor Red Bull.
Aandelen in een bedrijf waarvan hij de producten aanprees
De kwestie rond Sen-Jam is minstens even zorgwekkend. Verster prees het zogenoemde katermedicijn van dit bedrijf aan in zijn hoedanigheid als UU-onderzoeker, terwijl hij tegelijkertijd aandelen in datzelfde bedrijf bezit. Dat middel bestaat in werkelijkheid uit de pijnstiller naproxen gecombineerd met een vrij verkrijgbaar anti-allergiemiddel. Toxicologen waarschuwen dat naproxen in combinatie met alcohol maag- en leverproblemen kan veroorzaken.
Samen met Sen-Jam publiceerde Verster in 2025 ook een wetenschappelijk opinie-artikel dat een verband legt tussen een kater en een verhoogde kans op kanker. Toxicoloog Jan Tytgat stelt daar tegenover de betrokken media kortaf over dat er geen bewijs bestaat dat kanker wordt veroorzaakt door een kater. Dat alcohol zelf de kans op diverse vormen van kanker vergroot, is daarentegen veelvuldig aangetoond.
Eerder onderzoek van Verster, eveneens gebaseerd op vragenlijsten, concludeerde dat een beschikbaar katermedicijn niet zou leiden tot meer drankgebruik. Hoogleraar epidemiologie Frits Rosendaal oordeelt tegenover Investico dat vragenlijstonderzoek een ongeschikte methode is om conclusies te trekken over toekomstig gedrag.
Universiteit stelt onderzoekscommissie in
Verster zelf stelt altijd transparant te zijn geweest over zijn consultancywerk en altijd met toestemming van de universiteit te hebben geopereerd. Het bezit van aandelen in Sen-Jam beschouwt hij naar eigen zeggen niet als belangenverstrengeling. Hij bevindt zich sinds 1 mei met ziekteverlof en heeft al zijn professionele activiteiten stopgezet.
De Universiteit Utrecht erkent op de hoogte te zijn geweest van Versters nevenwerkzaamheden, maar stelt dat „de omvang van zijn nevenactiviteiten uit het zicht bleef”. Door zich bij zijn consultancywerk als UU-onderzoeker te presenteren, heeft hij volgens de universiteit onvoldoende de schijn van belangenverstrengeling vermeden. Dat hij aandelen in Sen-Jam bezat, zegt de universiteit niet te hebben geweten.
De faculteit Bètawetenschappen kondigt aan een commissie in te stellen die de gehele onderzoeksgroep farmacologie onder de loep neemt. Die commissie moet nagaan of de interne procedures voor transparantie, verantwoording en toezicht naar behoren hebben gefunctioneerd. Op de vraag of er concrete aanleiding is om te vermoeden dat de problemen breder reiken dan één persoon, antwoordt de universiteit ontwijkend. Ze stelt enkel dat ook de context waarin het handelen van de betrokken onderzoeker plaatsvond van belang kan zijn, en dat men „breder naar de onderzoekscultuur” wil kijken.
Dat voorzichtige antwoord is veelzeggend. Een universiteit die haar onderzoekscultuur wil doorlichten, impliceert dat het probleem mogelijk niet bij één individu stopt. De vraag is niet alleen wat Verster deed, maar ook waarom het systeem dat jarenlang ongezien liet passeren.

