Hoe één inflatiecijfer het rentebesluit van de Fed bepaalde

Wekenlang hing er onzekerheid boven de septembervergadering van de Amerikaanse Federal Reserve. Beleggers twijfelden openlijk: zou de Fed de rente opnieuw verhogen, of zou ze het bij de huidige stand houden? Het antwoord kwam uiteindelijk van een getal achter de komma.

De aanloop naar het besluit begon eind augustus in Jackson Hole. Kevin Warsh, voormalig Fed-bestuurder en invloedrijk monetair commentator, hield er een toespraak die de deur openzette voor een renteverhoging in september. De markt reageerde, maar bleef verdeeld.

Een week later temperde Christopher Waller de verwachtingen. De Fed-bestuurder, wiens woorden zwaar wegen binnen de instelling, liet weten bereid te zijn een rentepauze te steunen — mits de komende cijfers een afname van de inflatiedruk zouden bevestigen. Daarmee maakte hij het augustuscijfer voor de kerninflatie tot de beslissende factor.

Vrijdagochtend, vóór de publicatie, schatte de markt de kans op een renteverhoging op 60 procent. Dat was genoeg voor twijfel, maar niet voor zekerheid. De consensus onder economen verwachtte een maandelijkse stijging van de kerninflatie van 0,2 procent — de meesten hielden rekening met een uitkomst tussen 0,22 en 0,26 procent.

Het werkelijke cijfer was 0,29 procent. Afgerond: 0,3 procent. Dat verschil van enkele honderdsten bepaalde de koers.

Direct na de publicatie schoot de marktkans op een verhoging omhoog naar 90 procent. De discussie was voorbij. De Fed zou woensdag de rente met 25 basispunten verhogen, zo luidde de brede verwachting.

Opmerkelijk was hoe de financiële markten op het nieuws reageerden. Hogere inflatie leidt doorgaans tot hogere renteverwachtingen, stijgende langetermijnrentes en dalende aandelenkoersen. Vrijdag verliep het anders.

De langetermijnrente daalde licht, en Amerikaanse aandelen sloten de sessie af met een winst van bijna één procent. De verklaring ligt in de onzekerheid die de voorgaande weken had opgebouwd. Zolang markten twijfelden aan de bereidheid van de Fed om in te grijpen, hadden ze een extra risicopremie ingebouwd in de langetermijnrente. Zodra die twijfel verdween, verdween ook de premie.

De opluchting was echter van korte duur. Stijgende olieprijzen zetten de rentemarkt opnieuw onder druk, en de Amerikaanse tienjaarsrente bleef rond de vijf procent schommelen.

Voor de Fed zelf liet de situatie weinig ruimte. Niet ingrijpen na een inflatiecijfer dat de verwachtingen overtrof, zou haar geloofwaardigheid opnieuw ter discussie stellen — en de rente waarschijnlijk verder opdrijven. Handelen was daarmee niet alleen een beleidskeuze, maar ook een kwestie van institutioneel gezag.

Het is zelden zo zichtbaar geweest hoe smal de marge is waarop monetair beleid wordt gemaakt. Eén tiende van een procentpunt scheidt een pauze van een verhoging — en daarmee, althans tijdelijk, een dalende van een stijgende markt.