Productiviteit verhogen vraagt meer dan bedrijven ontzien

Een ongemakkelijke paradox

De productiviteit van de Nederlandse economie groeit dit jaar met 2,5 procent — het beste resultaat in tientallen jaren. Toch klonk er deze week weinig optimisme in Den Haag. VVD-minister van Financiën Eelco Heinen verklaarde in de Tweede Kamer dat onze productiviteit “nauwelijks groeit”. Dat is een opmerkelijke uitspraak, die iets zegt over hoe complex en politiek gevoelig het productiviteitsdebat werkelijk is.

In een economie die kampt met ruimtegebrek, vergrijzing en oplopende publieke kosten — voor defensie, infrastructuur en geopolitieke weerbaarheid — is productiviteitsgroei geen abstract begrip. Het is de sleutel tot meer welvaart zonder pijnlijke keuzes in de zorg, de sociale zekerheid of het belastingstelsel. Geen wonder dat de Miljoenennota dit jaar vol stond met beleidsvoorstellen op dit terrein.

Wat de cijfers werkelijk zeggen

De hoge groeicijfers van 2025 en 2026 verdienen enige nuancering. Ze volgen op een periode van krimp, direct na de energiecrisis van 2022. In die jaren groeide de werkgelegenheid terwijl de economische output daalde — een klassiek patroon waarbij bedrijven personeel vasthouden in afwachting van betere tijden, zeker in een krappe arbeidsmarkt als de Nederlandse.

Nu draait het beeld om: de economie groeit terwijl de vraag naar arbeid afneemt, mede door gestegen lonen. CPB-directeur Pieter Hasekamp omschreef de recente cijfers als “aardig”, maar voegde daar onmiddellijk aan toe dat het te vroeg is voor conclusies. Of dit een structurele omslag is, valt nog niet te zeggen.

Daar komt bij dat het afbouwen van de Groningse gaswinning sinds 2014 een structurele neerwaartse druk uitoefent op de arbeidsproductiviteit. De gasvelden leverden van oudsher een buitenproportioneel grote bijdrage aan de nationale productiviteitscijfers. Ondanks dit effect behoort Nederland nog steeds tot de productiefste economieën van Europa.

Structurele zorgen blijven bestaan

Voorbij de conjuncturele schommelingen tekent zich een zorgwekkender patroon af. Onderzoeken van het CPB en De Nederlandsche Bank laten zien dat het Nederlandse bedrijfsleven minder vernieuwt. Er starten minder nieuwe ondernemingen, de zogeheten creatieve destructie neemt af, en kapitaal en arbeid blijven te lang hangen bij minder productieve bedrijven.

Juist op dit punt biedt kunstmatige intelligentie een serieuze kans. Hoogleraar productiviteit Robert Inklaar stelt dat Europa de grote AI-modellen niet zelf hoeft te ontwikkelen om te profiteren. “Het gaat erom dat veel bedrijven AI weten in te zetten om productiever te werken. Dat levert geen bedrijf op dat biljoenen waard is zoals in de VS, maar wel meer welvaart.” De vraag is of het Nederlandse bedrijfsleven die transitie snel genoeg maakt.

De valkuil van bedrijven beschermen

Een van de scherpste lessen uit recent economisch onderzoek is dat overheidssteun aan bedrijven productiviteitsgroei eerder remt dan stimuleert. Inklaar is helder: tijdens de coronacrisis zijn ondernemingen te lang kunstmatig overeind gehouden. Die matig presterende bedrijven remmen nu nog steeds de algehele productiviteit — een effect dat zowel het CPB als DNB bevestigt.

Hetzelfde geldt voor handelspolitiek. Buitenlandse concurrentie dwingt bedrijven tot innovatie en efficiëntie. Het afschermen van Europese industrieën tegen Chinese concurrentie en het kweken van zogenoemde Europese kampioenen heeft dan ook een prijs: meer geopolitieke slagkracht gaat ten koste van economische dynamiek. Dat is een afweging die politici bewust moeten maken, niet stilzwijgend vermijden.

Wat verstandig beleid inhoudt

Ruimte maken voor nieuwe activiteit

Economen zijn het over de basisprincipes opvallend eens. Investeer in goed onderwijs, faciliteer nieuwe bedrijvigheid en bescherm het bestaande niet ten koste van het nieuwe. Inklaar formuleert het concreet: maak het makkelijker om aan durfkapitaal te komen, werknemers te ontslaan en failliet te gaan. En zorg — naar Amerikaans voorbeeld — voor een werkloosheidsuitkering die meeveren kan in recessietijden, zodat arbeid sneller naar productievere plekken stroomt.

In de Nederlandse context voegt Inklaar daar een dimensie aan toe: maak fysieke ruimte. Een kleinere overheid kan helpen, maar er zijn ook expliciete keuzes nodig over welke sectoren nog passen in een overvolle economie. Zijn beeldspraak is treffend: “Minder Tata, meer data.” Het stikstofbeleid van het kabinet is zo’n keuze — minder vee schept letterlijk ruimte voor andere activiteit.

Schaarste beprijzen

Een aanvullend instrument is het beprijzen van schaarse middelen. Bedrijven laten bieden op een stroomaansluiting, of meer laten betalen voor watergebruik, filtert automatisch de ondernemingen eruit die de hoogste toegevoegde waarde genereren. Dat is economisch logisch, maar politiek ongemakkelijk.

De Miljoenennota schiet tekort

Precies over die harde keuzes is de Miljoenennota opvallend vaag. Regels schrappen en innovatiefinanciering verbeteren zijn nuttige maatregelen, maar ze lossen het fundamentele probleem niet op: zolang niet wordt besloten welke bedrijvigheid moet wijken, blijven bedrijven elkaar in de weg zitten, investeren ze te weinig en winnen gevestigde belangen het van nieuwkomers.

Productiviteitsbeleid vereist politieke moed om te kiezen — niet alleen voor iets, maar ook tégen iets. Zolang dat ontbreekt, blijft de Miljoenennota een lijst van goede voornemens zonder structurele doorwerking. En daar wordt Nederland uiteindelijk niet productiever van.