Een agent die maandenlang een valse identiteit aanneemt, dagelijks liegt tegen mensen die hem vertrouwen, en ondertussen probeert integer te blijven. Het is een paradox die weinig beroepen kennen. En toch is dat precies wat politie-infiltranten in Nederland doen — soms zonder adequate begeleiding, en in een juridisch kader dat op papier klopt maar in de uitvoering tekortschiet.
Dat is de centrale conclusie van strafrechtdocent Sophie Naber, die volgende week aan de Open Universiteit in Heerlen promoveert op haar proefschrift Schijn bedriegt. Ze onderzocht vier jaar lang de integriteit en beheersbaarheid van undercoverwerk bij de Nederlandse politie en toetste de gehanteerde opsporingsmethoden aan het recht op een eerlijk proces en het recht op privacy. Voor haar onderzoek analyseerde ze rechterlijke uitspraken, rapporten en beleidsevaluaties, en sprak ze met veertig betrokkenen: undercoveragenten, advocaten, officieren van justitie, rechters en veroordeelden.
Haar bevindingen zijn ontnuchterend. Juridisch en op papier is het opereren van politie-infiltranten in Nederland „goed op orde”, zo stelt Naber in een interview. Maar in de praktijk bewegen undercoveroperaties zich op wat zij „drijfzand” noemt. Agenten worstelen met vragen die geen juridisch handboek beantwoordt. Neem je samen met een verdachte drugs? Kus je iemand terwijl je thuis een partner hebt? Durf je te liegen over je kinderen?
Het zijn geen retorische vragen. Ze raken aan de kern van een beroep dat van mensen vraagt twee levens tegelijk te leiden, en dat hen daarvoor onvoldoende voorbereidt en begeleidt.
De aanleiding voor een nieuwe structuur was tragisch. In 2024 werd het politieteam Werken onder Dekmantel opgeheven nadat een ervaren undercoveragent suïcide had gepleegd. Hij was tijdens een infiltratieoperatie tegen een drugscrimineel in Zevenbergschen Hoek in ernstige psychische problemen geraakt. Er kwam een nieuw landelijk team, met de belofte van drie begeleiders voor de agenten. In de praktijk bleven het er één of twee — en die missen soms ook de benodigde ervaring. Naber beschrijft hoe een pas afgestudeerde psychologiestudent aan een infiltrant vraagt of hij zich veilig voelt, terwijl diezelfde agent dagelijks zijn leven op het spel zet en als de dood is ontdekt te worden.
De beloofde ondersteuning was, zo vertelden undercoveragenten aan Naber, „voor de bühne”.
Naast de menselijke kant signaleert Naber ook een structureel juridisch probleem. Rechters kunnen achteraf moeilijk vaststellen hoe grenzen tijdens een operatie zijn verschoven, of misleiding toelaatbaar was, en of de betrouwbaarheid van verklaringen voldoende is geborgd. Het verantwoord verloop van operaties hangt nu te sterk af van de individuele kwaliteit en professionaliteit van de betrokkenen. Dat is onvoldoende.
Als concrete maatregel pleit Naber ervoor om standaard alle voor bewijsvoering relevante gesprekken tussen agenten en verdachten heimelijk op te nemen, en dit wettelijk te verankeren. Met geluids- en beeldopnamen kunnen rechter en verdediging de operatie beter controleren en de waarde van verklaringen beter beoordelen. Arrondissementen als Amsterdam en Rotterdam hebben op dit punt al stappen gezet, constateert ze. Maar een landelijke wettelijke basis ontbreekt nog.
Hetzelfde geldt voor de inzet van criminele burgerinfiltranten — mensen met een eigen crimineel verleden die worden ingezet als undercoverinformant. Mede op basis van geluidstapes oordeelde een rechter de inzet van zo’n burgerinfiltrant in een onderzoek naar de Hells Angels als geoorloofd. Naber erkent dat dergelijke methoden soms noodzakelijk zijn, maar noemt het tegelijk een „paardenmiddel” waarvoor strenge wettelijke waarborgen onmisbaar zijn. De huidige eis van ministeriële toestemming vindt ze onvoldoende. De minister draagt weliswaar verantwoordelijkheid, maar heeft geen directe invloed op het verloop van een operatie. Verantwoordelijkheid zonder controle is geen waarborg.
Wat Naber uiteindelijk bepleit, is geen radicale herziening maar een steviger verankerd systeem: meer gestructureerde dialoog tussen undercoveragenten onderling, tussen begeleiders en het Openbaar Ministerie, en wettelijke verplichtingen rondom opnamen en toezicht. Het gaat niet om wantrouwen jegens de mensen die dit werk doen — het gaat om het erkennen dat goed werk ook goede structuren vereist.
Undercoverwerk is per definitie werk in de schaduw. Maar juist daarom verdient het meer licht.

