Wanbeheer bij Cornelius Haga Lyceum: ministerie overweegt stopzetting financiering

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam staat opnieuw in het middelpunt van een bestuurlijk conflict met de overheid. De Onderwijsinspectie concludeert in een recent rapport dat de Stichting Islamitisch Onderwijs, het bestuur achter de islamitische middelbare school, „langdurig en in ernstige mate heeft nagelaten” om de kwaliteit van het onderwijs op peil te brengen. De leerlingen worden daardoor, in de woorden van staatssecretaris Judith Tielen (VVD), „nodeloos en voortdurend geconfronteerd met onderwijs dat tekortschiet”.

In een brief aan de Tweede Kamer laat Tielen weten dat de school inmiddels de zogeheten fase E heeft bereikt — de meest urgente trede van de escalatieladder die de inspectie hanteert. In deze fase verschuift de bevoegdheid om beslissingen te nemen van de inspectie naar het ministerie zelf. Dat betekent concreet dat Den Haag nu kan besluiten de financiering van de school stop te zetten.

Volgens het inspectierapport had het schoolbestuur al in 2022 moeten ingrijpen. Dat is niet gebeurd. Bovendien zou het bestuur belangrijke documenten niet hebben aangeleverd en ontving de inspectie „tegenstrijdige informatie”. Het bestuur van de stichting betwist de conclusies en stelt dat er naar haar inzicht geen sprake is van wanbeheer.

De verhouding tussen de school en de overheid is al jaren beladen. In 2019 waarschuwde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat er salafistische aanjagers actief zouden zijn op de school en dat de schoolleiding banden zou hebben gehad met terroristen. Die beschuldigingen leidden tot een uitgebreid onderzoek van de Onderwijsinspectie, dat echter geen antidemocratisch onderwijs aan het licht bracht — wel financieel wanbeheer.

De nasleep van dat onderzoek was voor de overheid beschamend. Eind 2019 berichtte NRC dat de inspectie haar bevoegdheden had overschreden. Ruim een half jaar later vernietigde de rechter de conclusies van het inspectierapport. Ook de waarschuwingen van de inlichtingendiensten bleken te ver te zijn gegaan: de toezichthouder op de diensten oordeelde dat die conclusies niet voldoende waren onderbouwd.

In 2024 stelde de rechtbank Den Haag vast dat de staat de school ten onrechte had neergezet als een broedplaats voor antidemocratisch en anti-integratief gedachtegoed. De overheid werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. Het was een juridische afgang die de verhoudingen verder op scherp zette.

Nu, enkele jaren later, ligt er opnieuw een kritisch inspectierapport. Ditmaal gaat het niet over ideologie of veiligheid, maar over de basiskwaliteit van het onderwijs. Dat maakt de situatie wezenlijk anders dan in 2019. Waar de eerdere strijd politiek geladen was en juridisch strandde, rust de huidige procedure op een onderwijskundig fundament dat minder omstreden is. Of het ministerie ook daadwerkelijk tot financiële sancties overgaat, is aan staatssecretaris Tielen. Zij geeft aan zich nog te beraden op vervolgstappen.