Een nieuwe functie in het Witte Huis
President Donald Trump heeft Jay Clayton, de overkoepelend topman van de Amerikaanse inlichtingendiensten, benoemd tot wat informeel zijn ‘AI-tsaar’ wordt genoemd. Clayton moet binnen 120 dagen rapporteren aan het Witte Huis over zowel de risico’s als de kansen van kunstmatige intelligentie. Het is een opvallende stap: Clayton trad pas in augustus aan als inlichtingenchef en was daarvoor voorzitter van beurstoezichthouder SEC. Hij blijft beide functies combineren.
De benoeming komt op een moment waarop de roep om duidelijk beleid rond AI wereldwijd aansterkt. Zelfs topbestuurders van grote technologiebedrijven pleitten de afgelopen weken voor toezicht en gedragsregels, uit vrees dat de razendsnelle ontwikkeling van de technologie tot misstanden leidt. Het dossier werd extra urgent door berichten dat bepaalde AI-modellen tijdens experimenten zelfstandig begonnen te hacken om hun opdrachten te voltooien — een ontwikkeling die bij velen alarmbellen deed rinkelen.
Trumps visie: koesteren, niet smoren
Trump zelf deed die berichten af als paniekzaaierij, “net zo’n verzinsel als klimaatverandering”. Zijn redenering is strategisch van aard: wie de teugels aantrekt, remt innovatie af en geeft China de ruimte om de VS in te halen. Eind vorige maand verklaarde hij bij de Algemene Vergadering van de VN expliciet dat de Verenigde Staten “elk wereldwijd plannetje om AI te beheersen” verwerpen.
In een bericht op zijn platform Truth Social voegde hij daaraan toe: “We gaan helemaal niet de groei van deze fantastische industrie hinderen of smoren. We zullen het juist koesteren, helpen en bewaken terwijl het groeit.” Het is een houding die consistent is met zijn bredere dereguleringsstrategie, maar die op gespannen voet staat met de zorgen die ook binnen de technologiesector zelf leven.
Superintelligentie als nieuw begrip
Claytons werkgroep krijgt de naam Super Intelligence Force, een benaming die Trump bij presidentieel besluit heeft vastgelegd voor de gehele Amerikaanse overheid. De president lichtte zijn keuze voor die term toe tijdens zijn VN-toespraak: “Als we het ‘kunstmatige intelligentie’ noemen, klinkt het nep. Het is niet nep, het is fantastisch.” Vandaar zijn voorkeur voor de term superintelligentie, afgekort als SI.
Buiten de Amerikaanse overheid wordt die terminologie vooralsnog nauwelijks overgenomen. In wetenschappelijke en technologische kringen heeft ‘superintelligentie’ een specifieke betekenis die niet samenvalt met wat Trump ermee bedoelt — namelijk AI in de brede zin. Clayton zelf formuleerde het doel van zijn werkgroep in The Wall Street Journal nuchterder: “Leiders op het gebied van superintelligentie blijven, en de belangen van het Amerikaanse volk op de eerste plaats zetten.” Hij voegde daar een waarschuwing aan toe: “De risico’s zijn enorm als wij niet de eerste zijn.”
AI als politiek strijdtoneel
De kwestie heeft ook een duidelijke binnenlandse politieke dimensie. Bij de Congresverkiezingen van november — waarbij het volledige Huis van Afgevaardigden en een derde van de Senaat op het spel staan — speelt AI een merkbare rol. De datacentra die nodig zijn voor de verwerking van AI-toepassingen stuiten op weerstand bij een deel van de kiezers. Hun bezwaren zijn concreet: hoge water- en stroomkosten, verlies van landbouwgrond en een landschap dat steeds meer gevuld raakt met anonieme, grijze servergebouwen.
Trump profileert zich als een uitgesproken pleitbezorger van die datacentra. “Deze grote, machtige en bijzonder rijke bedrijven brengen grote voordelen met zich mee voor gemeenschappen”, zei hij eerder tegen journalisten. Op een campagnebijeenkomst in Ohio herhaalde hij gisteren zijn vertrouwde argument: “Je kunt ze niet zomaar uitzetten, dan gaan ze naar China.” Een verslaggever van persbureau AP noteerde dat het publiek, dat verder enthousiast reageerde, op dit specifieke punt merkbaar minder warm liep. Dat detail is veelzeggend: zelfs bij Trumps eigen achterban is het draagvlak voor ongebreidelde AI-expansie geen vanzelfsprekendheid.
Wat staat er op het spel?
De komende 120 dagen worden bepalend voor de richting van het Amerikaanse AI-beleid. Clayton moet een rapport opstellen dat zowel de veiligheidsrisico’s als de economische kansen in kaart brengt — een opdracht die moeilijk te scheiden valt van de geopolitieke concurrentie met China. De vraag is of een inlichtingenchef, hoe capabel ook, de juiste figuur is om die complexe afweging te maken. AI raakt immers niet alleen aan nationale veiligheid, maar ook aan energiebeleid, arbeidsmarkt, privacywetgeving en internationale handelsverhoudingen.
Vooralsnog kiest de Trump-administratie bewust voor een aanpak die groei en competitief voordeel centraal stelt, en regulering als rem beschouwt. Of dat volstaat in een wereld waar de technologie sneller evolueert dan welk beleidskader ook, zal de komende maanden moeten blijken.

