Het was maart toen Tweede Kamerlid Femke Wiersma van BBB een motie indiende over het eigen risico in de zorg. Ze stelde voor dat patiënten bij een dure behandeling niet langer in één keer het volledige bedrag hoeven te betalen. Naast haar naam stond ook die van Ines Kostic van de Partij voor de Dieren. Voor Wiersma was het een „heugelijk feit”: ideologische tegenpolen die samenwerken.
Voor het minderheidskabinet was het juist een alarmsignaal. De coalitie van D66, VVD en CDA beschikt over slechts 66 zetels. Als de oppositie zich bundelt, heeft die een meerderheid. Informateur Rianne Letschert waarschuwde al tijdens de formatie dat de coalitie voortdurend zou moeten overleggen met oppositiepartijen — ze omschreef het als de noodzaak van een goed koffieapparaat.
Toch liep de motie van Wiersma en Kostic anders af dan gevreesd. Minister Sophie Hermans ontraadde het voorstel. Een brede groep oppositiepartijen — van Pro tot FVD, van Volt tot SGP — stemde voor. Maar JA21 en de ChristenUnie schaarden zich achter de coalitie, goed voor 78 zetels. De motie haalde het niet. De oppositie verloor.
Het is dit patroon dat NRC blootlegt in een analyse van 2.439 Kamerstemmingen uit de eerste vier maanden van het kabinet-Jetten. Daarvoor maakte de krant gebruik van de Dutch Parliamentary Behaviour Dataset van Tom Louwerse, hoogleraar politiek gedrag aan de Universiteit Leiden. De bevindingen schetsen een helder beeld van hoe dit kabinet functioneert — en waar de grenzen liggen.
De coalitie blijkt intern opmerkelijk stabiel. D66, VVD en CDA stemmen in 85 procent van de gevallen als één blok. D66 en VVD wijken het vaakst af, maar doen dat nog altijd zelden: zij stemmen in 87 procent van de stemmingen hetzelfde. CDA sluit in 92 procent aan. Dat is vergelijkbaar met coalities uit de jaren negentig.
Dit staat in scherp contrast met het vorige kabinet. PVV, VVD, NSC en BBB stemden maar in 60 procent van de gevallen als eenheid. De onderlinge communicatie was slecht, de verrassingen talrijk. D66, VVD en CDA zijn ervaren machtspartijen die elkaar kennen. Ze vermijden openlijke conflicten in de Kamer, omdat ze weten wat die kosten.
Toch is interne cohesie alleen niet genoeg. Het kabinet heeft de oppositie nodig — en de oppositie slaagt er zelden in om een vuist te maken. Wanneer de coalitie als blok stemt, krijgt ze in 98 procent van de gevallen een meerderheid. Louwerse legt uit waarom: „Je hebt bijna de hele oppositie nodig om een voorstel aan te nemen.” Dat is een hoge drempel die zelden wordt gehaald.
Dat bleek vroeg in de kabinetsperiode, bij de geplande AOW-bezuinigingen. De voltallige oppositie leek zich te verenigen in verzet. Maar Groep Markuszower en de SGP gunden het kabinet meer tijd. Oppositieleider Jesse Klaver van Pro verborg zijn teleurstelling niet. De oppositie had zich opnieuw uit elkaar laten spelen.
Kleine fracties spelen daarin een sleutelrol. ChristenUnie steunt de coalitie in 80 procent van de gevallen, SGP in 77 procent, 50Plus in 75 procent. Samen leveren zij geen meerderheid, maar ze brengen de coalitie telkens dichtbij genoeg. In 94 procent van de stemmingen volgt de Kamer het oordeel van het kabinet.
De twee partijen die het verschil maken bij echt spannende stemmingen zijn Pro en JA21. Pro helpt de coalitie in één klap aan een meerderheid; met JA21 erbij is nog maar één zetel extra nodig. Beide partijen steunen de coalitie in ongeveer 70 procent van de gevallen. Maar ze doen dat zelden tegelijk: als Pro met de coalitie meestemt, kiest JA21 in de helft van de gevallen de andere kant — en andersom.
Dat patroon tekende zich scherp af bij de brandstofaccijnzen, die stegen na de oorlog in Iran. Meerdere moties om die accijnzen te verlagen werden verworpen doordat Pro met de coalitie meestemde. Had Pro zich bij de oppositie gevoegd, dan had het kabinet miljarden moeten uitgeven aan maatregelen die het zelf onverstandig achtte. Tegelijk steunde JA21 moties tegen bezuinigingen op het sociale stelsel — precies waar Pro juist tégen was.
Het kabinet laveerde zo tussen links en rechts. Bij de onderhandelingen over de EU-toetreding van Oekraïne steunde Pro het kabinetsstandpunt, terwijl de uiterst rechtse oppositie dwarslag. Bij sociale bezuinigingen hielp JA21 het kabinet juist door aanvallen vanuit links te blokkeren. In bijna 170 stemmingen was de steun van een van beide partijen doorslaggevend.
De keerzijde is duidelijk. Het kabinet kan zich verdedigen, maar eigen beleid doorvoeren lukt nauwelijks. Asielwetten werden door de Eerste Kamer weggestemd. Bezuinigingen op Sociale Zaken lijken geen meerderheid te halen. Louwerse signaleert een structureel probleem: „Het is makkelijker om het eens te worden over wat je níet wil, dan over wat je wel wil.”
Binnen de coalitie groeit het besef dat wisselende meerderheden onvoldoende zijn voor pijnlijke hervormingen. Dat was nu juist de belofte van dit kabinet. Er wordt nagedacht over een breder akkoord, in aanloop naar Prinsjesdag in september.
Daarin speelt Pro een steeds grotere rol. De partij wil de stikstofplannen van het kabinet steunen, mits die niet verder worden afgezwakt. JA21 wil juist wél afzwakking. Belangrijker nog: Pro beschikt over aanzienlijk meer senaatszetels dan JA21, en in de Eerste Kamer is een meerderheid voor het kabinet even hard nodig als in de Tweede. Pro is daarmee voor stikstof én voor bredere akkoorden haast onmisbaar.
Voor de VVD is dat een voortschrijdend inzicht. Partijleider Dilan Yesilgöz sloot Pro uit tijdens de verkiezingen en de formatie. Maar voor dit minderheidskabinet zijn de zetels van die partij onmiskenbaar van belang — of ze dat nu wil of niet.

