Een wetenschapsjournalist schrijft een stuk over nieuw onderzoek naar de gezondheidsvoordelen van Ozempic. Het artikel vermeldt bijwerkingen, citeert wetenschappers en verwijst naar gepubliceerde studies. Weken later ontvangt zijn werkgever een boete van tienduizenden euro’s. Niet omdat het artikel feitelijk onjuist was, maar omdat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) het te wervend vond.
Dit is geen hypothetisch scenario. De IGJ heeft de afgelopen maanden forse boetes opgelegd aan enkele van de grootste Nederlandse mediabedrijven, waaronder DPG Media en Mediahuis, voor artikelen over de geneesmiddelen Ozempic, Wegovy en Mounjaro. De inspectie stelt dat de berichtgeving in strijd was met de Geneesmiddelenwet, die publieksreclame voor receptplichtige medicijnen verbiedt. De betrokken redacties spreken van een gevaarlijke aanslag op de persvrijheid.
Wat de wet zegt — en wat de inspectie daarmee doet
De Geneesmiddelenwet verbiedt het maken van publieksreclame voor medicijnen die uitsluitend op doktersrecept verkrijgbaar zijn. De wet bestaat om te voorkomen dat farmaceutische bedrijven consumenten rechtstreeks beïnvloeden, buiten de arts om. Het is een begrijpelijk principe, ingegeven door zorgen over medicijnmisbruik en ongepaste zelfmedicatie.
De IGJ past die wet nu echter ook toe op onafhankelijke journalistiek. Volgens de inspectie is de vraag niet of een artikel betaald is, maar of een lezer er een koopintentie aan overhoudt. “Is het artikel erg wervend? Heb je na het lezen het gevoel: dit middel wil ik kopen of gebruiken?” aldus een woordvoerder van de inspectie. Dat criterium is subjectief van aard en laat weinig ruimte voor nuance.
Tussen 2023 en 2025 deelde de IGJ naar eigen zeggen zo’n twintig boetes uit voor reclame voor medicijnen — niet uitsluitend aan mediabedrijven en niet uitsluitend voor Ozempic-gerelateerde content. Over individuele zaken wil de inspectie niet communiceren, mede omdat over sommige nog beroepsprocedures lopen.
Hoge bedragen, harde reacties
DPG Media ontving in april een boete van 48.500 euro voor artikelen gepubliceerd in De Stentor en tijdschrift Flair. Later deze maand volgde een tweede boete van 51.000 euro, ditmaal voor stukken in de Volkskrant en het AD. Mediahuis werd nog harder getroffen: in totaal 132.000 euro aan boetes voor artikelen in NRC en De Telegraaf. Het aanvankelijk vastgestelde bedrag lag op 660.000 euro; de IGJ verlaagde dat zelf, omdat een dergelijk hoog bedrag volgens de inspectie een onevenredige beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting.
Pieter Klok, hoofdredacteur van de Volkskrant, noemt de boetes “verbijsterend”. Hij erkent het belang van de Geneesmiddelenwet, maar tekent bezwaar aan tegen de toepassing ervan op journalistiek. “Volgens mij moet je die wet nooit toepassen op journalistiek, tenzij je kunt aantonen dat die betaald wordt”, aldus Klok. De Volkskrant heeft een van de beboete artikelen inmiddels van haar website verwijderd.
Bij NRC ligt de situatie anders. Adjunct-hoofdredacteur Lucas Brouwers omschrijft de boetes als “bizar” en weigert de artikelen aan te passen of te verwijderen. “De betreffende artikelen zijn juist voorbeelden van zorgvuldige journalistiek, met aandacht voor bijwerkingen en met verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek”, zegt hij. De NRC-stukken kwamen van de wetenschapsredactie en behandelden onder meer farmaceutisch onderzoek naar veilige afslankmiddelen.
Het chilling effect
Thomas Bruning, secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), spreekt van een gevaarlijk precedent. “We zijn geschokt dat de inspectie forse boetes oplegt aan gerenommeerde media en integere journalisten die vaak over medicijnen schrijven en daar geen ander belang bij hebben dan het informeren van het publiek”, zegt hij. De NVJ wil een gesprek met de IGJ én met het ministerie van Volksgezondheid, dat eindverantwoordelijk is voor het beleid.
Kamran Ullah, hoofdredacteur van De Telegraaf, waarschuwt expliciet voor zelfcensuur. “Journalisten zullen in het vervolg toch terughoudender zijn”, stelt hij. “Dat geldt voor grote nieuwsorganisaties zoals wij, maar misschien nog wel meer voor kleinere titels en freelancers.” Een boete van meer dan een ton staat, zo rekent hij voor, gelijk aan het jaarsalaris van twee journalisten. Minder middelen betekent minder mensen op de redactie — en dus minder journalistiek.
De IGJ erkent zelf dat de boetes op gespannen voet staan met grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, maar stelt dat die rechten wettelijk beperkt mogen worden ter bescherming van de volksgezondheid. Dat de inspectie de boetes voor Mediahuis al fors verlaagde om een chilling effect te vermijden, illustreert hoezeer ze zich bewust is van de spanning — zonder die spanning op te lossen.
Een grens die nog getrokken moet worden
De kern van het conflict is niet of de Geneesmiddelenwet zinvol is. Dat is ze. De vraag is waar de grens ligt tussen reclame en journalistiek — en wie die grens trekt. Een farmaceutisch bedrijf dat betaalde advertorials verspreidt, opereert in een fundamenteel andere context dan een wetenschapsredactie die gepubliceerd onderzoek bespreekt. Beide onder dezelfde wettelijke noemer brengen, zonder onderscheid te maken naar financieel belang of redactionele onafhankelijkheid, is juridisch misschien verdedigbaar, maar beleidsmatig problematisch.
Wat overblijft, is een situatie waarin journalisten die schrijven over een van de meest besproken medische ontwikkelingen van dit decennium, moeten afwegen of hun artikel de inspectie als te enthousiast zal worden beschouwd. Dat is geen hypothetische zorg meer. Het is de dagelijkse werkelijkheid op Nederlandse redacties — en die werkelijkheid verdient een scherper debat dan tot nu toe is gevoerd.

