Er zijn nog geen verdachten aangehouden, maar de aanwijzingen dat protesterende boeren achter de grootschalige sabotageacties op het Nederlandse spoornetwerk zitten, stapelen zich op. Als die link wordt bevestigd, hebben de daders met deze actie een juridische en maatschappelijke boemerang in gang gezet die hard kan terugkomen. Dat stelt Bart Schuurman, hoogleraar terrorisme en politiek geweld aan de Universiteit Leiden.
De nachtelijke acties — waarbij buizen op het spoor werden bevestigd en seinen op rood werden gezet — gaan volgens Schuurman ver voorbij aan gewone vandalisme. “Ik verwacht dat het Openbaar Ministerie hoog zal inzetten,” zegt hij. “De daders hebben bewust het risico genomen dat er doden of gewonden konden vallen, ook al was dat misschien niet hun bedoeling.” Dat onderscheid is juridisch cruciaal, maar het ontslaat de daders niet van verantwoordelijkheid: opzet op het gevaar, niet op het gevolg, volstaat al voor een zware aanklacht.
Artikel 164 van het Wetboek van Strafrecht, dat ziet op opzettelijke gevaarzetting van trein- en luchtverkeer, kent een maximumstraf van vijftien jaar gevangenisstraf. Wanneer de rechter bovendien een terroristisch oogmerk aanwezig acht — en dat is niet ondenkbaar wanneer de acties gericht zijn op het ontwrichten van vitale infrastructuur met een politiek doel — kan de strafmaat nog verder oplopen. Dit zijn geen abstracte juridische categorieën; het zijn de kaders waarbinnen het OM zijn aanklacht zal formuleren.
Ira Helsloot, emeritus hoogleraar besturen van veiligheid aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, is even helder over de grenzen van het demonstratierecht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft die grenzen nauwkeurig afgebakend: het recht op protest weegt niet op tegen het veroorzaken van ernstige hinder of gevaar voor derden. Vreedzaam demonstreren mag, de snelweg blokkeren — zoals Extinction Rebellion deed — of met tractoren het verkeer ophouden, valt daar al buiten. Spoorinfrastructuur saboteren midden in de nacht valt er ver buiten.
Gewelddadig actievoeren is in Nederland geen alledaags fenomeen. In de jaren tachtig was dat anders, met organisaties als RaRa die doelgericht materiële schade aanrichtten. Recenter waren er in Duitsland aanvallen op energievoorzieningen, deels toegeschreven aan vanuit Rusland aangestuurde actoren, en werd klimaatactivist Daniel V. vorige week na een klopjacht opgepakt nabij de Nederlandse grens. De spoorsabotage van afgelopen nacht past in een zorgwekkende internationale trend van infrastructurele ontwrichting als politiek instrument, al verschilt de context sterk.
Schuurman wijst op een cruciale fout in de redenering van de daders. Als zij werkelijk slachtoffers wilden vermijden, had een voorafgaande waarschuwing voor de hand gelegen. Dat is niet gebeurd. “Nu hebben ze midden in de nacht buizen op het spoor bevestigd en het risico voor lief genomen,” zegt hij. De gedachte dat eerdere acties op snelwegen zonder ingrijpende gevolgen bleven, kan een gevaarlijk precedent hebben gecreëerd in de hoofden van de daders — de illusie dat alles geoorloofd is zolang het politieke signaal maar luid genoeg klinkt. Die illusie is nu doorgeprikt.
De kans dat de daders worden opgespoord, schat Schuurman hoog in. Camerabeelden, getuigenverklaringen en forensisch onderzoek bieden politie en justitie doorgaans voldoende aanknopingspunten, zeker bij gecoördineerde acties op meerdere locaties. En dan wacht hun niet alleen een strafrechtelijke procedure. Helsloot benadrukt dat de financiële schade enorm is: “Dit is een schade van enkele miljoenen euro’s aan kostenderving voor de spoorwegen. Die kan de NS verhalen op de daders.” Een civiele claim bovenop een strafrechtelijke veroordeling maakt de positie van de daders er niet eenvoudiger op.
Bovenal, zo stelt Schuurman, hebben de saboteurs hun eigen politieke doel beschadigd. Wie sympathie wil wekken voor boerenprotesten, bereikt het tegenovergestelde door het openbaar vervoer te ontwrichten en reizigers in gevaar te brengen. “Wie denkt nog dat dit een goed idee is? Wie heeft hier nog sympathie voor?” Het zijn retorische vragen, maar ze raken aan iets wezenlijks: politiek protest verliest zijn legitimiteit op het moment dat het de veiligheid van burgers op het spel zet. Dat is geen ideologisch oordeel, maar een nuchtere vaststelling over hoe draagvlak werkt — en hoe snel het verdwijnt.

